Wat is een 'mooi' landschap?

Over smaak valt niet te twisten. Discussies over wat nu precies een mooi of lelijk landschap is, worden vaak vertroebeld door persoonlijke smaak of voorkeur. Daarom hebben we vier criteria opgesteld die meetbaar en dus onafhankelijk zijn. Op basis van deze maatstaven kan een heldere discussie worden gevoerd.

Gebieden krijgen het predikaat ‘mooi’ als ze voldoen aan één of meer van de volgende criteria:

1. Het gebied bestaat uit natuur

Onder natuur wordt hier verstaan alle natuurgebieden voor zover opgenomen in de EHS, zoals reservaten en natuurontwikkelingsgebieden. Daaronder vallen alle natuurreservaten, Natuurmonumenten, Provinciale Landschappen, landgoederen en natuur- en bosgebieden van gemeentes en andere overheden, zoals Defensie en de Domeinen.

2. Het gebied bestaat uit bos

Door een gebrek aan gegevens bleek het bij het opstellen van de Kaart onmogelijk kwaliteitsonderscheid in verschillende bostypen te maken. Daarom zijn álle bossen als mooi meegenomen.

3. Agrarische cultuurlandschappen met ten minste 50% oorspronkelijke patronen en afbakeningen

Bij de beoordeling voor de Kaart is de leesbaarheid en herkenbaarheid van streekeigen kavelafbakening en ontginningsgeschiedenis leidend geweest. Daarbij is onder andere gekeken naar de mate waarin landschappen hun karakter van vóór het ruilverkavelingtijdperk (grotendeels) hebben weten vast te houden. Besloten is dat alle cultuurlandschappen die 50% van de traditionele perceelsafbakening, zoals sloten, wallen en heggen nog bezitten, het predikaat mooi te geven. Bij deze maatvoering is volgens de makers van de Kaart nog sprake van een herkenbaar kavelpatroon aan de hand waarvan de ontginningsgeschiedenis valt af te lezen. Bovendien stellen zij vast dat in dit soort landschappen streekeigen bouw en traditionele afbakening van percelen (die een zekere mate van repetitie bezitten) voor een bepaalde herkenbaarheid zorgen. Bij het grote publiek kunnen deze landschappen ook rekenen op een hoge waardering.

4. Landschappen met tenminste 5% groen-blauwe dooradering

Om antwoord te geven op de wereldwijde achteruitgang in biodiversiteit en veranderende klimaatzones, lijken deskundigen in Nederland het erover eens dat 5% blauwe (sloten) en of groene (houtwallen, heggen, akkerranden, et cetera) dooradering in een gesloten netwerk nodig zijn als minimale maat voor migratieroutes en voor het herbergen van gezonde populaties van (beschermde) wilde planten en dieren.

Een uitgebreide beschrijving van deze criteria leest u in het Cahier.